logo nivo

(Tekst geldend op: 03-01-2009)
Wet van 30 november 2006, houdende nieuwe bepalingen met
betrekking tot medezeggenschap op scholen als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op
het voortgezet onderwijs (Wet medezeggenschap op scholen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet medezeggenschap onderwijs 1992
te vervangen door een nieuwe wet, aangezien het, in het belang van het goed functioneren van de
school, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
voortgezet onderwijs, wenselijk is het overleg met en de vertegenwoordiging van het personeel en de
ouders en leerlingen van de school te verbeteren mede in het licht van de vergroting van de autonomie
van besturen van die scholen, dat het tevens wenselijk is de medezeggenschap bij centrale diensten als
bedoeld in genoemde wetten en regionale expertisecentra als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
zoveel mogelijk dienovereenkomstig te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:



Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze wet verstaat onder:
a. «Onze Minister»: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het
landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. «school»: een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Experimentenwet onderwijs;
c. «centrale dienst»: een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair
onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 53b van de Wet op het
voortgezet onderwijs;
d. «regionaal expertisecentrum»: een regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de
Wet op de expertisecentra;
e. «bevoegd gezag» voor wat betreft:
1. een school: het bevoegd gezag, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Experimentenwet onderwijs;
2. een centrale dienst: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68 van de Wet op
het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 53b van de Wet
op het voortgezet onderwijs;
3. een regionaal expertisecentrum: het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 28b van
de Wet op de expertisecentra;
f. «leerlingen»: leerlingen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;
g. «ouders»: de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen;
h. «schoolleiding»: de directeur, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de
expertisecentra en de rector, directeur of de leden van de centrale directie, bedoeld in de Wet op
het voortgezet onderwijs, alsmede de conrectoren of de adjunct-directeuren;
i. personeel»: het personeel dat in dienst is dan wel ten minste 6 maanden te werk gesteld is
zonder benoeming bij het bevoegd gezag en dat werkzaam is op de school, bij de centrale dienst,
dan wel het regionaal expertisecentrum en personeel dat is benoemd of ten minste 6 maanden te
werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een
school;
j. «onderwijswet»: de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
voortgezet onderwijs;
k. «geleding»: de afzonderlijke groepen van leden, bedoeld in artikel 3, derde lid.

Artikel 2. Aard bepalingen
De bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, voor zover zij de scholen en de regionale
expertisecentra betreffen, zijn regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van
het bijzonder onderwijs.

Artikel 3. Medezeggenschapsraad
1. Aan een school, een centrale dienst en een regionaal expertisecentrum is een
medezeggenschapsraad verbonden.
2. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste 4 en van een centrale dienst en
een regionaal expertisecentrum uit ten minste 2 leden.
3. De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit:
a. leden die uit en door het personeel worden gekozen; en
b. leden die worden gekozen:
1°. uit en door de ouders, voor zover het betreft een basisschool of een speciale school voor
basisonderwijs;
2°. uit en door de ouders, dan wel deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen
die de leeftijd van dertien jaar hebben bereikt, voor zover het betreft een school voor speciaal
onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling
voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
3°. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen, voor zover het betreft een
school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een door
Onze Minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs.
4. De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Voor
zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal
onderwijs of een door Onze Minister aangewezen instelling voor voortgezet onderwijs zijn tevens de
aantallen leden uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan
de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid
te worden, kan de niet door de desbetreffende groep te vervullen plaats worden toegedeeld aan de
andere groep.
5. De medezeggenschapsraad van een centrale dienst en van een regionaal expertisecentrum bestaat
uit leden die uit en door het personeel worden gekozen.
6. Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat
werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school, kan een medezeggenschapsraad
worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De
medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste 2 leden.
7. Geen lid van de medezeggenschapsraad kunnen zijn degenen die deel uitmaken van het bevoegd
gezag.
8. Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen
met de medezeggenschapsraad kan niet tevens lid zijn van de medezeggenschapsraad.
9. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het
personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van
personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en
door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en
door organisaties van ouders of leerlingen.
10. De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad geschiedt bij geheime schriftelijke
stemming.
11. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de periode waarin de
verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.
12. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor, dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde
van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school, het
regionaal expertisecentrum en de centrale dienst. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van kandidaatleden en voormalige leden.
13. De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag
geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het
voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de
betrekking in strijd met dit lid is nietig.

Artikel 4. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
1. Indien het bevoegd gezag meer dan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, dan
wel als bedoeld in de Wet op de expertisecentra dan wel als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs in stand houdt, stelt het bevoegd gezag een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
in voor de scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra
respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van scholen
als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra één
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad instellen, indien de instemming van twee derden van
de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen.
2. In een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad is elke medezeggenschapsraad van de
betrokken scholen vertegenwoordigd.
3. De leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad worden gekozen door de leden van
de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het aantal leden, gekozen
uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bedraagt.
4. Artikel 3, tweede, derde, vierde en zevende tot en met dertiende lid, is van overeenkomstige
toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Artikel 5. Voorzitter (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kiezen uit hun midden
een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een
plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Hoofdstuk 2. Algemene bevoegdheden, taken, en informatierechten

Artikel 6. Algemene bevoegdheden medezeggenschapsraad en vertegenwoordiging bevoegd
gezag
1. Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen, indien daarom onder opgave van
redenen wordt verzocht door de medezeggenschapsraad, een geleding of het bevoegd gezag.
2. De medezeggenschapsraad en een geleding zijn bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden,
de school betreffende. De medezeggenschapsraad en een geleding zijn bevoegd over deze
aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.
Het bevoegd gezag brengt op de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin, binnen drie maanden een
schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de medezeggenschapsraad respectievelijk de
geleding. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt
het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad respectievelijk de geleding ten minste eenmaal in de
gelegenheid met hem overleg te plegen over de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin.
3. Indien twee derden van de leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke
geleding dat wensen, worden de besprekingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, met de
medezeggenschapsraad gevoerd door middel van overleg met elke geleding afzonderlijk.
4. Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een persoonlijk belang van een van
de leden van de medezeggenschapsraad in het geding is, kan de medezeggenschapsraad besluiten
dat het betrokken lid aan die vergadering, of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De
medezeggenschapsraad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende
aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsvindt.
5. De besprekingen in de medezeggenschapsraad kunnen namens het bevoegd gezag worden
gevoerd. Het bevoegd gezag kan een lid van de schoolleiding dan wel een personeelslid dat
managementtaken verricht ten behoeve van meer dan een school opdragen de besprekingen met de
medezeggenschapsraad dan wel bepaalde besprekingen met de medezeggenschapsraad namens
hem te voeren. Op verzoek van het lid dat namens het bevoegd gezag het overleg voert of op
verzoek van de medezeggenschapsraad kan het bevoegd gezag dit lid ontheffen van de taak om een
bespreking namens het bevoegd gezag te voeren. Op verzoek van de medezeggenschapsraad voert
het bevoegd gezag in bijzondere gevallen naast de gevallen, bedoeld in artikel 24, eerste lid,
onderdeel e, zelf de besprekingen met de medezeggenschapsraad.

Artikel 7. Algemene taken medezeggenschapsraad
1. De medezeggenschapsraad bevordert naar vermogen openheid en onderling overleg in de school.
2. De medezeggenschapsraad waakt voorts in de school tegen discriminatie op welke grond dan ook
en bevordert gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van
mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers.
3. De medezeggenschapsraad doet aan alle bij de school betrokkenen schriftelijk verslag van zijn
werkzaamheden en stelt de geledingen en de eventuele raden, bedoeld in artikel 20, in de
gelegenheid om over aangelegenheden die de betrokken geleding of raden in het bijzonder aangaan,
met hem overleg te voeren.

Artikel 8. Algemeen informatierecht medezeggenschapsraad
1. De medezeggenschapsraad ontvangt van het bevoegd gezag, al dan niet gevraagd, tijdig alle
inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
2. De medezeggenschapsraad ontvangt in elk geval:
a. jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en
onderwijskundig gebied;
b. jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten grondslag ligt aan de middelen uit 's
Rijks kas die worden toegerekend aan het bevoegd gezag;
c. jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs,
artikel 157 van de Wet op de expertisecentra of de gegevens, bedoeld in artikel 106, eerste lid,
van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. de uitgangspunten die het bevoegd gezag hanteert bij de uitoefening van zijn bevoegdheden;
e. terstond informatie over elk oordeel van de klachtencommissie, bedoeld in artikel 14 van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 23 van de Wet op de expertisecentra en artikel 24b van de Wet
op het voortgezet onderwijs, waarbij de commissie een klacht gegrond heeft geoordeeld en over
de eventuele maatregelen die het bevoegd gezag naar aanleiding van dat oordeel zal nemen,
een en ander met inachtneming van de regelingen, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid,
onderdeel m, 13, onderdeel i en 14, tweede lid, onderdeel f en derde lid, onderdeel d;
f. ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en inhoud van de
arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de school werkzame
personen en de leden van het bevoegd gezag;
g. ten minste eenmaal per jaar schriftelijk gegevens over de hoogte en inhoud van de
arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het orgaan van de rechtspersoon dat is
belast met het toezicht op het bevoegd gezag;
h. aan het begin van het schooljaar schriftelijk de gegevens met betrekking tot de samenstelling van
het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, het managementstatuut en de hoofdpunten
van het reeds vastgestelde beleid.
3. Het tweede lid, onderdeel f, is uitsluitend van toepassing op bevoegde gezagsorganen waarbij in de
regel ten minste 100 personen werkzaam zijn. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt voor
het bevoegd gezag van een school uitgegaan van alle scholen als bedoeld in de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs van dat
bevoegd gezag.
4. Ten aanzien van het tweede lid, onderdelen f en g wordt inzichtelijk gemaakt met welk percentage
deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het
voorafgaande jaar.
5. Indien een groep van de in de school werkzame personen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f,
of het orgaan van de rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, uit minder dan vijf
personen bestaat, kunnen voor de toepassing van die onderdelen twee of meer functies worden
samengevoegd, zodat een groep van ten minste vijf personen ontstaat.
6. Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan een geleding van de
medezeggenschapsraad, wordt dat voorstel gelijktijdig ter kennisneming aan de andere geleding of
geledingen aangeboden. Daarbij wordt tevens een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor
het voorstel, alsmede van de gevolgen die de uitwerking van het voorstel naar verwachting zal
hebben voor het personeel, ouders en leerlingen en van de naar aanleiding daarvan genomen
maatregelen.

Artikel 9. Van overeenkomstige toepassing verklaring van de artikelen 6, 7 en 8
De artikelen 6, 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad, met dien verstande dat het de algemene gang van zaken in alle scholen of de
meerderheid van de scholen vallend onder dezelfde onderwijswet betreft, en op de
medezeggenschapsraad van een regionaal expertisecentrum, een centrale dienst en de
medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

Hoofdstuk 3. Instemmings- en adviesbevoegdheden

Artikel 10. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door
het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:
a. verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school;
b. vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en
examenregeling en het zorgplan;
c. vaststelling of wijziging van een mogelijk schoolreglement;
d. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het verrichten van ondersteunende
werkzaamheden door ouders ten behoeve van de school en het onderwijs;
e. vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en
welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding;
f. de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan in artikel 13, onderdeel
c, en artikel 14, tweede lid, onderdeel c, bedoeld en niet gebaseerd op de onderwijswetgeving
indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de
schooltijden respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd
onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen
worden geconfronteerd;
g. de vaststelling of wijziging van de voor de school geldende klachtenregeling;
h. overdracht van de school of van een onderdeel daarvan, respectievelijk fusie van de school met
een andere school, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake.

Artikel 11. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk
door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende
aangelegenheden:
a. vaststelling of wijziging van het lesrooster in het voortgezet onderwijs;
b. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school,
waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten
behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met
uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 13, onderdeel c, en artikel 14, tweede lid,
onderdeel c;
c. beëindiging, belangrijke inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van
een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
d. het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere
instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
e. deelneming of beëindiging van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment, dan
wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
f. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school;
g. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van aanstellings- of ontslagbeleid voor
zover die vaststelling of wijziging verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging
daarvan;
h. aanstelling of ontslag van de schoolleiding;
i. vaststelling of wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding, alsmede
vaststelling of wijziging van het managementstatuut;
j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating en verwijdering van
leerlingen;
k. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating van studenten die elders in
opleiding zijn voor een functie in het onderwijs;
l. regeling van de vakantie;
m. het oprichten van een centrale dienst;
n. nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school;
o. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het onderhoud van de school; en
p. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de voorziening, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van
de Wet op het primair onderwijs, wordt georganiseerd.

Artikel 12. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad
1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag
te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor het personeel van een besluit met betrekking tot een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, onder c, d, e en m;
b. vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie;
c. vaststelling of wijziging van regels met betrekking tot de nascholing van het personeel;
d. vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en
de inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een
gehele categorie van personeelsleden;
e. vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel;
f. vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;
g. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen
en gratificaties aan het personeel;
h. vaststelling of wijziging van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting binnen het
personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen;
i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling, functiebeloning
en functiedifferentiatie;
j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het overdragen van de bekostiging;
k. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het
ziekteverzuim of het reïntegratiebeleid;
l. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;
m. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van
persoonsgegevens van het personeel;
n. vaststelling of wijziging van een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn
voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het personeel;
o. vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het bevorderingsbeleid of op het
gebied van het aanstellings- en ontslagbeleid voor zover die vaststelling of wijziging geen
verband houdt met de grondslag van de school of de wijziging daarvan;
p. vaststelling of wijziging van regels waarover partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst
hebben gesloten, zijn overeengekomen dat die regels of de wijziging daarvan in het overleg
tussen bevoegd gezag en het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad tot stand wordt
gebracht;
q. vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op
personeel.
2. Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs dat tevens bevoegd gezag is van
een of meer basisscholen behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor
elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de bekostiging die op grond van artikel
120, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.

Artikel 13. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een
school als bedoeld in de WPO en de WEC, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal
onderwijs
Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de
expertisecentra, met uitzondering van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, behoeft de
voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de
leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende
aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, onder c, d, e en m;
b. verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel
daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
c. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van
de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een
wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst
die door de ouders is aangegaan;
d. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de
leerlingen;
e. vaststelling of wijziging van een mogelijk ouder- of leerlingenstatuut;
f. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan tussenschoolse opvang;
g. vaststelling van de schoolgids;
h. vaststelling van de onderwijstijd;
i. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van
persoonsgegevens van ouders en leerlingen;
j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school
geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd
gezag;
k. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen
bevoegd gezag en ouders;
l. vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op
ouders en leerlingen.

Artikel 14. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad bij een
school als bedoeld in de WVO of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de
WEC
1. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en van een
school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra behoeft de
voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en
de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de
volgende aangelegenheden:
a. de vaststelling van de schoolgids;
b. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school
geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd
gezag;
c. vaststelling van de onderwijstijd.
2. Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te
nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor de ouders van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid
als bedoeld in artikel 11, onder c, d, e en m;
b. verandering van de grondslag van de school of omzetting van de school of van een onderdeel
daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
c. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van
de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een
wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst
die door de ouders is aangegaan;
d. de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de
middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd voor schoolboeken en
lesmateriaal, noodzakelijk om het onderwijs aan de school te kunnen volgen, en voor andere
schoolkosten, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
e. vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut;
f. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van
persoonsgegevens van ouders;
g. vaststelling of wijziging van het beleid ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen
bevoegd gezag en ouders;
h. vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op
ouders.
3. Het bevoegd gezag behoeft tevens de voorafgaande instemming van het deel van de
medezeggenschapsraad dat uit en door de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag
te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor de leerlingen van een besluit met betrekking tot een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, onder c, d, e en m;
b. vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24g van de Wet op het
voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24g
van de Wet op het voortgezet onderwijs;
c. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de
leerlingen;
d. vaststelling of wijziging van een regeling over het verwerken van en de bescherming van
persoonsgegevens van leerlingen;
e. vaststelling of wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 28, voor zover die betrekking heeft op
leerlingen.

Artikel 15. Tenuitvoerlegging bepaalde besluiten
1. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, onder c, d, e en m,
wordt niet ten uitvoer gelegd voordat een definitief besluit is genomen over de regeling van de
gevolgen van dat besluit voor het personeel, dan wel voor de ouders of leerlingen, tenzij dringende
redenen in het belang van de school een eerdere tenuitvoerlegging noodzakelijk maken.
2. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, onderdeel b, wordt niet
genomen dan na afweging van in elk geval de onderwijskundige, de personele en de materiële
belangen van de school, welke afweging schriftelijk in de motivering van het besluit tot uitdrukking
wordt gebracht.
3. Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 11, onderdeel p, en
13, onderdeel h, wordt niet genomen dan na raadpleging van de ouders.

Artikel 16. Bevoegdheden (geledingen) gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
1. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt, indien het aangelegenheden betreft die van
gemeenschappelijk belang zijn voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen, in de plaats
van de medezeggenschapsraad van die scholen. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing op de onderscheiden geledingen van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
indien het bevoegdheden van een geleding van de medezeggenschapsraad betreft.
2. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt tevens vooraf in de gelegenheid gesteld om
advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot:
a. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de
desbetreffende scholen, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het
bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas zijn toegerekend of van
anderen zijn ontvangen;
b. de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze middelen over voorzieningen op
bovenschools niveau en op schoolniveau;
c. de aanstelling of het ontslag van personeel dat is belast met managementtaken ten behoeve van
meer dan een school.
3. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen voor elk door het bevoegd gezag
te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie van
personeel dat is benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht ten
behoeve van meer dan een school.

Artikel 17. Adviesaanvrage
Indien een te nemen besluit ingevolge artikel 11, dan wel op grond van het
medezeggenschapsreglement krachtens artikel 24, tweede en derde lid, vooraf voor advies dient te
worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip, dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op
de besluitvorming;
b. de medezeggenschapsraad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat
advies wordt uitgebracht;
c. de medezeggenschapsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze
waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven; en
d. de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen,
in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief
wordt genomen.

Artikel 18. Nadere regels bijzondere bevoegdheden
1. De bevoegdheden op grond van de artikelen 10 tot en met 14, dan wel op grond van het bepaalde in
het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 24, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing,
voor zover:
a. de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of
krachtens wet gegeven voorschrift;
b. het betreft een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 37 en 38 van de Wet op het primair
onderwijs, de artikelen 37 en 38 van de Wet op de expertisecentra, artikel 40a van de Wet op het
voortgezet onderwijs en artikel 4a, tweede lid, van de Experimentenwet onderwijs, voor zover het
in deze artikelen bedoelde overleg niet besluit de aangelegenheid ter behandeling aan het
personeelsdeel van de medezeggenschapsraad over te laten.
2. De bevoegdheden van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is
gekozen, zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de school
reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 19. Overeenkomstige toepassing t.a.v. GMR
De artikelen 15, 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad.

Hoofdstuk 4. Organisatie medezeggenschap

Artikel 20. Specifieke inrichting medezeggenschapsstructuur
1. Op verzoek van de medezeggenschapsraad en met instemming van het bevoegd gezag kan met
instemming van twee derden van de leden van de medezeggenschapsraad een deelraad worden
verbonden aan een deel van een school. De deelraad treedt in dat geval in de bevoegdheden van de
medezeggenschapsraad voor zover uitoefening van die bevoegdheden geen betrekking heeft op een
ander deel van de school.
2. Op verzoek van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en met instemming van het
bevoegd gezag kan met instemming van twee derden van de leden van de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad een groepsmedezeggenschapsraad worden verbonden aan een groep van
scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op
het voortgezet onderwijs afzonderlijk. De groepsmedezeggenschapsraad treedt in dat geval in de
bevoegdheden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, behoudens de bevoegdheden,
bedoeld in artikel 16, tweede en derde lid.
3. De artikelen 3, 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de deelraad, bedoeld in het eerste
lid, en de groepsmedezeggenschapsraad, bedoeld in het tweede lid.
4. De medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen met
instemming van het bevoegd gezag en met instemming van twee derden van de leden van de
medezeggenschapsraad of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor een of meer van
de aangelegenheden, bedoeld in artikel 10 en artikel 11 dan wel artikel 16, een themaraad instellen.
5. Indien van elk bevoegd gezag van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, of de Wet
op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden dan wel bij het ontbreken van een gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad alle medezeggenschapsraden, daarmee instemmen kan een
bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad worden ingesteld.

Artikel 21. Medezeggenschapsstatuut
1. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, ten
minste eenmaal in de twee jaar een medezeggenschapsstatuut vast.
2. Het bevoegd gezag legt het medezeggenschapsstatuut, daaronder elke wijziging ervan mede
begrepen, als voorstel aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad of bij het ontbreken
daarvan aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast indien het voorstel de
instemming van twee derden van het aantal leden van de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad of bij het ontbreken van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
van de medezeggenschapsraad heeft verworven.

Artikel 22. Inhoud medezeggenschapsstatuut
In het medezeggenschapsstatuut wordt in ieder geval geregeld:
a. de wijze waarop gebruik is gemaakt van artikel 20 en de bevoegdheden van de themaraden;
b. de samenstelling van de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad en de raden, bedoeld in artikel 20;
c. de wijze waarop en de termijnen waarbinnen aan de medezeggenschapsraad, de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de raden, bedoeld in artikel
20, informatie beschikbaar wordt gesteld, die noodzakelijk is voor het uitoefenen van de
medezeggenschap;
d. de wijze waarop de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad,
de geledingen dan wel de raden, bedoeld in artikel 20, elkaar en de geledingen waaruit zij zijn
gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten;
e. de wijze waarop met inachtneming van artikel 28 invulling wordt gegeven aan de
beschikbaarstelling van faciliteiten aan ouders, leerlingen en personeel, die deelnemen in de
medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan
wel de raden, bedoeld in artikel 20;
f. indien besprekingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, namens het bevoegd gezag worden
gevoerd, in welke gevallen en door wie dat geschiedt en in welke gevallen die persoon op zijn
verzoek van die taak wordt ontheven.

Artikel 23. Medezeggenschapsreglement
1. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een
medezeggenschapsreglement voor de medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad vast.
2. Het bevoegd gezag stelt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast
voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de
medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
heeft verworven. Indien het een omzetting dan wel een overdracht als bedoeld in artikel 24, tweede
lid betreft, behoeft dat deel van het reglement tevens de instemming van de geleding die de
bevoegdheden omzet dan wel overdraagt.

Artikel 24. Inhoud medezeggenschapsreglement medezeggenschapsraad
1. In het reglement wordt in ieder geval geregeld:
a. het aantal leden van de medezeggenschapsraad;
b. de wijze waarop aan de desbetreffende scholen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, derde
lid, onderdeel b, sub 2°;
c. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de medezeggenschapsraad;
d. de zittingsduur van de leden van de medezeggenschapsraad;
e. indien een lid van de schoolleiding dan wel een personeelslid dat is benoemd of te werk gesteld
en is belast met managementtaken ten behoeve van meer dan een school is opgedragen om
namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad, in
welke gevallen op verzoek van de medezeggenschapsraad het bevoegd gezag zelf deze
besprekingen met de raad voert;
f. de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad;
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden
besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht;
h. de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die aan de themaraad worden overgedragen
dan wel de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad waarin de deelraad treedt;
i. in welke gevallen en op welke wijze de medezeggenschapsraad alle bij de school betrokkenen
betrekt bij de werkzaamheden van de medezeggenschapsraad;
j. in welke gevallen geheimhouding wordt betracht;
k. de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.
2. Indien de medezeggenschapsraad een aan de raad toekomende adviesbevoegdheid wenst om te
zetten in een instemmingsbevoegdheid, dan wel een instemmingsbevoegdheid in een
adviesbevoegdheid, of een geleding een aan die geleding toekomende instemmingsbevoegdheid
wenst om te zetten in een adviesbevoegdheid, respectievelijk een geleding een aan die geleding
toekomende bevoegdheid wenst over te dragen aan de medezeggenschapsraad, wordt die
omzetting respectievelijk die overdracht in het reglement geregeld. Voor een omzetting en een
overdracht als bedoeld in de eerste volzin is de instemming van het bevoegd gezag vereist.
3. In het reglement kan tevens worden geregeld dat door het bevoegd gezag te nemen besluiten met
betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds in de wet
worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven als bedoeld in de artikelen 10, 11, 12, 13 of
14.
4. In het reglement kan voorts worden geregeld:
a. de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten met toepassing van artikel 58,
eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 60, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra of artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede hun
ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor verkiezing tot lid van de
medezeggenschapsraad, indien zij hebben verklaard de grondslag en de doelstellingen van de
school te respecteren;
b. over welke aangelegenheden op grond van artikel 6, derde lid, wordt overlegd met elk van de
geledingen afzonderlijk.
5. De voorwaarde, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, kan slechts worden toegepast, indien zij door
of namens het bevoegd gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.

Artikel 25. Geldigheidsduur bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad en bijzondere
bevoegdheden ingevolge toepassing artikel 24, tweede en derde lid
1. De geldigheidsduur van de instelling van een bovenbestuurlijke gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, bedraagt ten hoogste twee jaren. De in de
eerste volzin bedoelde termijn kan telkens met ten hoogste twee jaren worden verlengd indien alle
gemeenschappelijke medezeggenschapsraden daarmee instemmen dan wel bij ontbreken van een
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad alle medezeggenschapsraden.
2. De geldigheidsduur van advies- en instemmingsbevoegdheden die ingevolge de toepassing van
artikel 24, tweede en derde lid, in het medezeggenschapsreglement zijn opgenomen, bedraagt ten
hoogste twee jaren. De in de eerste volzin bedoelde termijn kan telkens worden verlengd met ten
hoogste twee jaren, indien ten minste twee derden van het aantal leden van de
medezeggenschapsraad daartoe besluiten ten aanzien van alle of een aantal van de in de eerste
volzin bedoelde bevoegdheden.

Artikel 26. Reglement gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op het reglement van de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Artikel 27. Mogelijkheid regeling voor specifieke gevallen
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld voor specifieke situaties bij een
categorie van scholen. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 28. Faciliteiten
1. Het bevoegd gezag staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover
het kan beschikken en die de medezeggenschapsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
nodig heeft.
2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van
medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel in de
medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad worden ondernomen,
daaronder begrepen scholingskosten, kosten voor inhuur van deskundigen en kosten van het voeren
van rechtsgedingen.
3. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de leden van de medezeggenschapsraad afkomstig uit het
personeel voor faciliteiten in tijd ten behoeve van het voeren van overleg, scholing en overige
medezeggenschapsactiviteiten. De in de eerste volzin bedoelde faciliteiten worden vastgesteld op
een zodanige omvang als redelijkerwijs noodzakelijk is voor de taakvervulling door de leden van de
medezeggenschapsraad.
4. Het bevoegd gezag kan een vacatievergoeding toekennen aan ouders en leerlingen die lid zijn van
de medezeggenschapsraad.
5. Tevens kan het bevoegd gezag bijdragen in de kosten voor administratieve ondersteuning van de
medezeggenschapsraad.
6. Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van
de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en van een raad als bedoeld in artikel 20.

Artikel 29. Afwijking in verband met eigen aard
1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan
de school ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het medezeggenschapsreglement in afwijking
van artikel 24, tweede lid, een aan de medezeggenschapsraad of een geleding toekomend
instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht dan wel een aan een geleding toekomend
instemmingsrecht overdragen aan de medezeggenschapsraad dan wel een aan de leerlinggeleding
toekomend instemmingsrecht overdragen aan de oudergeleding dan wel een aan de gezamenlijke
ouder- en leerlinggeleding toekomend instemmingsrecht, omzetten in een instemmingsrecht voor de
oudergeleding en een adviesrecht voor de leerlinggeleding. In afwijking van de artikelen 21 en 23
stelt het bevoegd gezag in dat geval het medezeggenschapsstatuut, respectievelijk het
medezeggenschapsreglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat
het hierover advies heeft ontvangen van de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven
aan de eerste volzin indien een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de
school als van de ouders en leerlingen dat ondersteunt.
2. De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop
zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een
meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
3. Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de
afwijking en de ondersteuning ervan.

Hoofdstuk 5. Regeling geschillen

Artikel 30. Commissie voor geschillen
1. Er is een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, regionaal expertisecentrum en
centrale dienst is aangesloten.
2. De commissie bestaat uit 3 leden en ten minste 3 plaatsvervangende leden, van wie een lid en diens
plaatsvervangers worden benoemd op bindende voordracht van de landelijke besturenorganisaties
en een lid en diens plaatsvervangers op bindende voordracht van landelijke personeelsvakonderscheidenlijk
ouder- of leerlingenorganisaties. De leden doen een bindende voordracht voor
de benoeming van het derde lid, tevens voorzitter en diens plaatsvervangers. Het aantal
plaatsvervangers van elk lid en van de voorzitter is aan elkaar gelijk. De benoeming geschiedt door
Onze Minister.
3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag of van
de medezeggenschapsraad van een school, regionaal expertisecentrum en centrale dienst.
Artikel 31. Competentie commissie
De commissie voor geschillen neemt kennis van de volgende geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag ten aanzien van een te nemen, na
overleg al dan niet gewijzigd, besluit dat ingevolge de artikelen 10, 12, 13 en 14 dan wel
ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, instemming behoeft, de vereiste
instemming niet heeft verworven en het bevoegd gezag zijn voorstel wenst te handhaven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad indien het bevoegd gezag
ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsstatuut en het
medezeggenschapsreglement voor zover aangegeven in artikel 22 of artikel 24, eerste, derde en
vierde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven;
c. op verzoek van de medezeggenschapsraad indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen
waarover ingevolge artikel 11 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde
lid, advies door de raad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of
niet geheel volgt en de medezeggenschapsraad dan wel de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de school of de belangen
van de medezeggenschapsraad ernstig worden geschaad; en
d. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad, dan wel de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel een geleding als bedoeld in artikel 3 indien
het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad van mening verschillen over de interpretatie
van het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het
medezeggenschapsreglement of het medezeggenschapsstatuut.

Artikel 32. Geschillen instemmingsbevoegdheid
1. Indien aan een te nemen besluit van het bevoegd gezag de instemming, vereist ingevolge de
artikelen 10, 12, 13 en 14 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, is
onthouden, deelt het bevoegd gezag binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede, of
het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien
deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan of niet binnen 6 weken na de mededeling
aan de commissie wordt voorgelegd, vervalt het voorstel.
2. Het bevoegd gezag doet een verzoek als bedoeld in artikel 31, onderdeel a, onder overlegging van
de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag
onderscheidenlijk de medezeggenschapsraad aan de orde zijn. De commissie stelt de
medezeggenschapsraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn
instemming bij de commissie naar voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel voor te leggen aan het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad, tenzij het bevoegd gezag of de medezeggenschapsraad te kennen geven
daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of
indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de instemming van
de medezeggenschapsraad, beoordeelt de commissie of de medezeggenschapsraad in redelijkheid
tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende
omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. De uitspraak van de
commissie is bindend voor het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad.

Artikel 33. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement en medezeggenschapsstatuut
1. Voor zover aan een voorstel van het bevoegd gezag tot vaststelling of wijziging van het
medezeggenschapsstatuut, het medezeggenschapsreglement, voor wat betreft onderwerpen als
bedoeld in artikel 24, eerste, derde en vierde lid, de instemming is onthouden, deelt het bevoegd
gezag aan de medezeggenschapsraad binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd
aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt
gedaan of niet binnen 6 weken na de mededeling aan de commissie wordt voorgelegd, vervalt het
voorstel.
2. Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel 31, onderdeel b, is artikel 32,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de medezeggenschapsraad een verzoek doet
als bedoeld in artikel 31, onderdeel b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie
het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de
commissie naar voren te brengen.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag, dan wel de
medezeggenschapsraad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van
deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het
bevoegd gezag alsmede de instemming van de medezeggenschapsraad beoordeelt de commissie of
het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft
kunnen komen. De commissie geeft, voor zover zij van oordeel is dat het bevoegd gezag bij afweging
van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak
aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het bevoegd
gezag het medezeggenschapsreglement dan wel het medezeggenschapsstatuut vast
overeenkomstig de uitspraak van de commissie.

Artikel 34. Geschil adviesbevoegdheid raad
1. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad,
vereist ingevolge artikel 11, dan wel ingevolge de toepassing van artikel 24, tweede en derde lid, niet
of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met zes weken, tenzij de
medezeggenschapsraad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.
2. De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 31, onderdeel c, binnen zes
weken nadat het betrokken besluit door het bevoegd gezag is genomen, onder overlegging van de
argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel
volgen van het advies de belangen van de school of van de medezeggenschapsraad ernstig worden
geschaad. De commissie stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor het
niet of niet geheel volgen van het advies bij de commissie naar voren te brengen. De behandeling
van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.
3. De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan wel de
medezeggenschapsraad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van
deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het
bevoegd gezag alsmede de instemming van de medezeggenschapsraad beoordeelt de commissie of
het bevoegd gezag bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de medezeggenschapsraad
bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De
commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan
blijven.

Artikel 35. Geschil interpretatie
Op een verzoek als bedoeld in artikel 31, onderdeel d, doet de commissie de bindende uitspraak welke
interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het medezeggenschapsreglement en
het medezeggenschapsstatuut dient te worden gegeven.
Artikel 36. Procesbevoegdheid en beroep
1. De medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen in rechte
optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens
de medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, voortvloeiend uit
deze wet. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de geledingen voor zover het
aangelegenheden betreft die tot de instemmings- of adviesbevoegdheden van die geleding behoren
en op de raden, bedoeld in artikel 20, voor zover de medezeggenschapsraad of de
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid aan die
geleding of raad heeft overgedragen.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof te Amsterdam.
3. Van een uitspraak van de commissie op grond van de artikelen 32, 33, 34 en 35 staat beroep open
bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Het beroep wordt ingediend bij
beroepschrift binnen een maand nadat de medezeggenschapsraad dan wel het bevoegd gezag van
de in het eerste lid bedoelde uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep
in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de commissie een onjuiste toepassing heeft
gegeven aan het bepaalde in de wet.
5. Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.
6. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad, een geleding onderscheidenlijk een raad als bedoeld in artikel 20 niet in de
proceskosten worden veroordeeld.

Artikel 37. Overeenkomstige toepassing
De artikelen 31, 32, 33, 34, 35 en 36 zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad, de geledingen, de raden, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid en de
raad, bedoeld in artikel 20, vierde lid, voor zover het een aangelegenheid betreft waarvoor de raad is
ingesteld.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

Artikel 38. Inhouding bekostiging
1. Indien het bevoegd gezag van een school of een regionaal expertisecentrum de bij of krachtens deze
wet gegeven voorschriften niet nakomt, kan Onze Minister besluiten dat de bekostiging uit de
openbare kas geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden of opgeschort.
2. De bekostiging wordt wederom toegekend, indien Onze Minister blijkt, dat de reden voor de
toepassing van het eerste lid is vervallen.

Artikel 39. Wet op de ondernemingsraden
De Wet op de ondernemingsraden is niet van toepassing op de scholen, regionale expertisecentra en
centrale diensten in de zin van deze wet.
Hoofdstuk 7. Invoerings- en overgangsbepalingen

Artikel 40. Niet langer van toepassing zijn WMO 1992; Besluit medezeggenschap onderwijs
1. De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 is niet van toepassing op scholen als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de
Experimentenwet onderwijs.
2. Het Besluit medezeggenschap onderwijs blijft van kracht totdat de algemene maatregel van bestuur
op grond van artikel 27 tot stand is gekomen. Het geldt tot dat tijdstip als besluit, gebaseerd op artikel
27 van deze wet.

Artikel 41. Overgangsrecht medezeggenschapreglement en medezeggenschapsstatuut
1. Binnen 4 maanden na de inwerkingtreding van deze wet legt het bevoegd gezag een voorstel van het
reglement, bedoeld in artikel 23 en 26, en van het medezeggenschapsstatuut, bedoeld in artikel 21,
voor aan de medezeggenschapsraad respectievelijk de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad. De medezeggenschapsraad respectievelijk de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad spreekt zich binnen 4 maanden uit over de voorstellen.
2. Het medezeggenschapsreglement, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, vervalt
met ingang van 1 augustus van het tweede jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van deze
wet, indien het bevoegd gezag niet met instemming van de medezeggenschapsraad respectievelijk
de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bepaalt dat het geheel of gedeeltelijk op een eerder
tijdstip vervalt.

Artikel 42. Geldigheidsduur ontheffing/toestemming op grond van art. 31 WMO 1992
Tot 1 augustus 2009 of zoveel eerder als de mededeling, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de Wet
medezeggenschap onderwijs 1992 zoals dat luidde op de datum voor de inwerkingtreding van deze wet,
zou moeten worden gedaan, gelden een ontheffing en een toestemming die zijn verleend op grond van
artikel 31 van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 als een ontheffing van de voorschriften van
deze wet respectievelijk een toestemming voor het kiezen van de leden, bedoeld in artikel 3, derde lid,
onderdeel b, onder 2° en 3° uit de ouders. Artikel 31, tweede lid, van de Wet medezeggenschap
onderwijs 1992 zoals dat luidde op de datum voor de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing
op de ontheffing dan wel toestemming.

Artikel 43. Aantreden nieuwe commissie; beslissing aanhangige geschillen
1. Tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet worden geschillen op grond van deze wet, in
afwijking van artikel 30, beslist door de commissies voor geschillen, bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs 1992.
2. De op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet besliste geschillen, door het
bevoegd gezag van een school voorgelegd aan een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet
medezeggenschap onderwijs 1992, gelden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze
wet als geschillen die krachtens deze wet aanhangig zijn.
3. Een jaar na de inwerkingtreding van deze wet dragen de commissies, bedoeld in het eerste lid, de
onder hen berustende dossiers terstond over aan de landelijke commissie voor geschillen bedoeld in
artikel 30.

Artikel 44. Voorlopige medezeggenschapsraad
1. Indien aan een school nog geen medezeggenschapsraad is verbonden, wordt aan de school binnen
een half jaar een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.
2. Artikel 3, derde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige raad.
3. Het bevoegd gezag legt binnen drie maanden na de verkiezing van de voorlopige raad een
medezeggenschapsreglement als voorstel aan deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige
raad zich, na overleg met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit. De artikelen
23, tweede lid, 31, aanhef en onderdeel b, en 33, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien aan scholen nog geen
gemeenschappelijke medezeggenschapsraad is verbonden.

Artikel 45
[Wijzigt de Experimentenwet onderwijs, de Arbeidstijdenwet en de Wet op de rechterlijke organisatie.]
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 46. Evaluatie
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt, in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-
Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 47. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 48. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als «Wet medezeggenschap op scholen».
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 november 2006
Beatrix
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,
M. J. A. van der Hoeven
De Minister van Landbouw. Natuur en Voedselkwaliteit ,
C. P. Veerman
Uitgegeven de negentiende december 2006
De Minister van Justitie ,
E. M. H. Hirsch Ballin



home